Tussen stilte en verhaal
Korte gedachten en reflecties over taal, mens en identiteit.
Tussen stilte en verhaal is een ruimte voor gedachten die niet roepen, maar resoneren.
Regelmatige, korte reflecties over mens-zijn, taal en identiteit — over de momenten waarop woorden even stilvallen en betekenis zichtbaar wordt.
- The Tinder Experience
- Married at First Sight
- Niet bang voor de pijn
- Mens, wat ben je mooi - onvolmaakt
- De eerste sneeuw en de albatros
- Zwemmen tegen de stroom: gedachte-experiment over waarom we elkaar graag onder water duwen
- Wachten op Godot: reflectie over mens en tijd
- Herfst: gedachtegang over de stille wijsheid van de natuur
- Familie issues: gedachte-experiment over de bestaande orde
- Wanneer de keizer echt naakt is: gedachtegang over kleren, balken en grenzen
- Vechten in Narnia: gedachte-experiment over een speciale fantasiewereld
- Wat is normaal? Gedachte-experiment over de betekenis van het "normaal"
To be continued....internal://423b2e78-c1b1-4bd8-8bc3-2d1ebf9e9d14#The-tinder-experience
The Tinder Experience
Een realitycheck naar hoe ver we van onszelf zijn afgedwaald op weg naar de moeiteloze, chirurgisch gefilterde perfecte liefde
zondag, 10 mei
Ik onderzoek dingen, mensen en verhalen graag. Dat is mijn natuur. Ik wil het allemaal begrijpen. Met name de drive achter handelingen. Ik ben nog steeds niet aan het daten. Al vier jaar niet. Niet zozeer bewust niet, maar ik voel het nut of de toegevoegde waarde ervan niet. Sterker nog, ik beweeg me nog steeds ergens in wat ik eerder het midden noemde tussen Walhalla en het Elysium. Met mezelf. Niemand hoeft mij aan te vullen; ik ben al compleet. En ik wil ook niemand aanvullen, laat staan ondersteunen, nog niet gesproken over onderhouden. Wat ik jarenlang in verschillende vormen en in verschillende connecties wél deed.
Nee. Ik ben oké.
Net als Ben.
Maar zodoende werd ik op een gegeven moment benieuwd naar anderen. Wat zoeken ze en waarom? En wat zocht ik zelf vroeger ook, toen ik nog geloofde dat ik er niet toe deed, dat ik niets kon en niets waard was? Wat hebben we nodig? En waarom moeten we dat buiten onszelf zoeken terwijl alles al in ons zit?
Wij zijn al compleet geschapen. Ook al laten we ons soms wijs maken door anderen en vergeten we even dat God geen half werk verricht.
Precies anderhalve week lang heb ik een Tinder-account gehad. Tien dagen. 240 uur.
Ja, gehad! Want op een woensdagochtend werd ik wakker en dacht ik: kappen. En dat heb ik ook direct gedaan.
Waarom ik dat account überhaupt had? Niet omdat ik wanhopig op zoek ben naar een man. En zeker niet uit eenzaamheid. Want ik ben nergens naar op zoek en ik ben niet eenzaam. Verre van.
En als ik iemand wil verzorgen, dan heb ik mijn kind daarvoor in de buurt.
Ik wilde iets ervaren.
Mensen begrijpen.
Processen begrijpen.
Zodat ik mijn mening niet hoef te baseren op wat anderen zeggen, maar op wat ik zelf zie en voel. Dus maakte ik een Tinder-account.
Want wat gebeurt er eigenlijk met menselijke connectie als liefde iets wordt wat je kunt optimaliseren? Wat gebeurt er als aantrekkingskracht een swipe van twee seconden wordt?
Een profieltekst.
Een algoritme.
Een verzameling foto’s waarop iedereen tegelijk spontaan én strategisch probeert over te komen.
Ik wilde weten hoe dat voelt. Hoe mensen praten. Hoe snel gesprekken persoonlijk worden. Hoe snel ze juist oppervlakkig worden. Hoe echt ze zijn. En misschien nog meer: wat het met mij zou doen.
Ja, dat roze vlammetje op de loginpagina doet je denken aan het sprookjesverhaal van Barbie en Ken.
Maar uit ervaring kan ik je vertellen dat het geen vlammetje van Ken is.
Het is een serieuze vlam uit Dante’s Inferno, waar de besten wanhopig terugdrijven in de duisternis van de vergissing, naar een plaats waar de zon stilstaat.
Sowieso missen we massaal het bord boven de ingang: “Wie hier binnentreedt, laat alle hoop varen.”
Tinder is de tweede cirkel van Wellust van Dante. Wie zijn vleselijke lusten niet kon bedwingen, was gedoemd om in deze kring van de hel alle kanten opgeslingerd te worden door een constante storm. Het is dan ook niet vreemd dat hier voortdurend gejammer te horen is.
In de tweede cirkel van de hel ontmoet je Francesca da Rimini en "De liefde, die in zachte harten snel ontbrandt.." en "De liefde, die geen geliefde toestaat niet terug te beminnen..." Maar dit even ter zijde.
Binnen een paar dagen — misschien al binnen één dag — voelde Tinder voor mij minder als een plek waar mensen elkaar ontmoeten en meer als een digitale etalage van behoeftes, projecties, verwachtingen en vooral snelheid.
Alsof we verleerd zijn om iemand langzaam te ontdekken. Alsof alles direct beschikbaar, leuk, aantrekkelijk, sexy, efficiënt en met name moeiteloos moet zijn. En ondertussen noemen we dat verbinding.
Het fascinerende is: bijna niemand lijkt nog echt aanwezig. Mensen praten, flirten, reageren, maar vaak vanuit een soort haast. Alsof er op de achtergrond voortdurend een betere optie voorbij kan swipen.
Misschien is dat wel precies het probleem van deze tijd. We hebben liefde geoptimaliseerd tot iets dat efficiënt moet werken. Alsof menselijke verbinding een logistiek proces is geworden: Married at First Sight, datingapps, matchmaking-algoritmes, experts die bepalen wie bij je past.
Onderweg naar optimalisatie raakten we misschien iets kwijt.
Onze traagheid.
Onze intuïtie.
Onze menselijkheid.
Na het uploaden van mijn echte foto’s — een stuk of vijf, zonder filters of achtergrondoptimalisatie, zonder het finetunen van mijn rimpels en oneffenheden — had ik binnen één uur 99+ likes. Die virtuele hartjes van mensen in een virtuele wereld die hiermee willen aangeven dat ze mij leuk, top, mooi, sexy, aantrekkelijk of wat dan ook vinden. Op basis van vijf foto’s.
Mogelijk waren het er veel meer. Maar om de exacte aantallen te kunnen achterhalen had ik moeten betalen. Dat was het voor mij niet waard. Ik weet zelf al, zonder virtuele duimpjes en hartjes van virtuele profielen van mensen — of Ken’s uit de tweede cirkel — dat ik mooi, sexy, intelligent maar, vooral en met name mens ben. Ik hoef geen bevestiging of acceptatie.
Maar als ik dat nodig had: de mogelijkheid voor virtuele bevestiging van onbekende virtuele duimpjes en hartjes voor een paar echte euro’s was er wel. Voor het vullen van een bodemloze put die velen van ons in zich meedragen. Een put die schreeuwt om aandacht, begrip en vooral liefde die ze niet kennen, nooit hebben mogen ervaren, maar waar ze onverzadigbaar naar verlangen.
Ik voelde me voor een poosje zoals een ijsje zich voelt, denk ik, op een zwoele augustusmiddag rond een uur of drie langs het looppad naar het strand van Scheveningen. Een ijsje dat per ongeluk uit de bakfiets van net iets te drukke kinderen was gevallen.
Daar lag ik dan.
Deels in het zand.
Langzaam smeltend.
Terwijl legers van vliegen, bijen, ratten en andere insecten erop afkwamen om even te likken van die zoete verleiding, zich tijdelijk gevuld te voelen en mij vervolgens afgelikt en uitgedroogd achter te laten op zoek naar de volgende zoete verleiding.
Iets wat hun al genoemde bodemloze, lege, donkere put moest vullen met iets wat op het eerste gezicht op liefde lijkt, maar niets anders is dan tijdelijke en oppervlakkige aandacht.
Maar tijdelijk krijgt in de tweede cirkel van Dante — op Tinder dus — een nieuwe betekenis. Tijdelijk betekent hier hooguit vijf appjes in een menselijke tijd van twintig tot dertig minuten. Als je de dag erna nog een bericht krijgt, is dat eerder een signaal van verveling of gebrek aan beter: een nieuwe bron van aandacht en zoete verleiding aan de andere kant.
Zo kwam ik dus heel snel in contact met Conor.
Hij was twintig jaar jonger dan ik en wilde mij snel leren kennen. Met name vanuit zijn perspectief. Hij vroeg of ik Snap had. Snap is een manier om online foto’s van elkaar uit te wisselen. Ja, die foto’s waarmee men je later kan chanteren door ze online breed beschikbaar te stellen als je bepaalde dingen niet doet. Denk aan een breed scala aan chantage: seksuele, financiële, emotionele, maar vooral morele dreigementen.
“Heb jij Snap? Dan stuur ik een pic van mijn dick.” appte hij.
Hier laat ik je even nadenken. Mocht je deze morsecode niet helemaal kunnen ontcijferen, kijk dan vooral onderaan bij de sleutel.*
Dit aanbod bracht een lawine aan vragen bij mij op gang.
Nee, ik heb geen Snap. En ik hoef ook geen pic van je dick. Ik heb al penissen gezien. Niets spectaculairs. Ik bedoel: waarom denken sommige heren dat wij vrouwen een foto wensen te ontvangen van hun harde penis?
Ten eerste kunnen we sowieso nooit met zekerheid weten of dat daadwerkelijk hun penis is, laat staan dat die foto op dat moment genomen is. Het kan net zo goed een AI-bewerkte, geoptimaliseerde en gefilterde harde penis zijn die wij ontvangen.
Net zoals hun profielfoto’s van hun perfect gespierde lichaam en de sixpack waar zelfs Amerikaanse reclames en David Hasselhoff zich voor zouden schamen.
Bovendien — en zelfs als het wél de waarheid is — waarom werd hij opeens hard? Van mijn profielfoto’s waarop alleen mijn gezicht en misschien mijn schouders zichtbaar waren?
We hebben elkaar nooit in het echt ontmoet. Elkaar nooit gevoeld. Nooit elkaars geur geroken.
Ik ben wat hij denkt dat ik ben. En ik heb geen flauw idee wie hij is.
Maar blijkbaar is dit een trend aan het worden — of is het dat al — en ben ik de laatste dinosaurus in deze jungle die het niet meteen begreep of waardeerde.
Ten tweede — en misschien nog interessanter — waarom denken veel mannen überhaupt dat wij vrouwen een foto wensen te ontvangen van hun harde penis? Wij verwachten wel dat, als het zover komt, ze die kunnen presteren. Sterker nog: we gaan er ergens vanuit dat ze hem ook nog kunnen gebruiken. Maar wij wensen zeker geen bewijs vooraf. Ik in ieder geval niet.
En ten derde zat ik nog te denken: als ik zelf een van die heren was die per se bewijs nodig had, dan had ik mijn harde penis eerder in topvorm gefotografeerd, op posterformaat laten afdrukken en in mijn woonkamer tentoongesteld. Als bewijs van mijn mannelijkheid. En bij gebrek aan de rest die een man een man zou moeten maken.
Conor liet ik snel voorbijgaan. En ik stel je mogelijk teleur, maar ik deed tevens geen beroep op een pic van zijn dick.
Ik val op grote mannen. Fysiek groot en breed. Ik vind dat aantrekkelijk, charmant, mannelijk. Dan voel ik me dé vrouw die in een man-vrouwrelatie de rok mag dragen en de ander de broek. Letterlijk en figuurlijk.
En hakken. Ik loop heel graag op hakken. Ik kan er zelfs in rennen als dat moet.
Zo kwam Mark voorbij. Hij vertelde dat hij bij de DSI werkte. Hij was bijna twee meter lang en zijn hand was net zo groot als een A4’tje, appte hij. Net zoals die van mijn kind van dertien, dacht ik bij mezelf. Want ik heb ook een groot kind. Dus ik was niet extreem onder de indruk. Maar laten we dieper graven.
Mark was heel aardig in de Tinder-app en ik had er twee hele dagen contact mee gehad. Twee van de tien dagen van mijn Tinder-experience. Dat is behoorlijk. We hebben bijna geschiedenis geschreven samen.
Wat hem onderscheidde van de rest was met name zijn testosteronniveau. Hij trok zich ongeveer vijf keer per dag af en berichtte mij daar dan ook nog uitgebreid over.
Indrukwekkend.
Ik wist niet of ik midden in een vergadering geil, boos of verdrietig moest worden van iemand die zijn weg volledig kwijt was geraakt en connectie verwarde met iets heel anders.
Ik werd niet geil.
Ik begon wel na te denken over hoe hopeloos en verdrietig zo iemand eigenlijk is. Eenzaam. Alleen. Zich bevredigend in willekeurige openbare toiletten terwijl hij denkt aan een virtuele verschijning van iemand die mogelijk niet eens bestaat. Allemaal verbeelding. Niets van vlees en bloed. Geen geur. Geen aanraking. Niet eens een stem.
Ik hoop dat het ooit goedkomt met Mark.
Dan had ik Ruben. Vader van twee, zei hij. Met hem sprak — of appte — ik ook bijna twee dagen. Hij was al snel jaloers en vroeg of ik met meerdere mannen contact had. Maar zelf stelde hij niet voor om elkaar beter te leren kennen door uit die virtuele wereld te stappen en gewoon eens een echte, menselijke koffie met elkaar te drinken.
De meeste contacten waren eendagsvliegen. Geen diepgang. Geen echte interesse.
Sommigen suggereerden fysieke aantrekkingskracht of spraken die letterlijk en zwart-op-wit uit. Maar zodra ik een concreet voorstel deed: foetsie. Verdwenen met de noorderzon.
Tinder. De cirkel van Wellust. Welke menselijke leegte probeert dit systeem eigenlijk op te vullen?
Wat mij misschien nog wel het meest opviel tijdens die anderhalve week Tinder, was dat bijna alle mannen met wie ik in contact kwam iets leken te willen bewijzen. Ongevraagd. Alsof ze zichzelf onmiddellijk moesten verkopen voordat iemand überhaupt de tijd zou nemen om hen echt te leren kennen.
De een stuurde bewijs van zijn penis. De ander vertelde trots hoe lang hij het volhield in bed. Weer een ander benadrukte hoe vaak hij per dag kon klaarkomen. Sommigen wilden direct duidelijk maken dat ze “licht” waren en dus openstonden voor FWB-constructies. Anderen profileerden zich vooral via hun baan, salaris, onderneming of status.
Alsof hun waarde onmiddellijk zichtbaar moest zijn. Alsof ze bang waren dat ze zonder die extra labels niet genoeg zouden zijn. En dat was het moment waarop ik me Ivan Karamazov voelde. Geen afkeer. Maar medelijden.
Want waarom voelen zoveel mensen de noodzaak zichzelf direct te bewijzen?
Waarom lijkt menselijke waarde tegenwoordig iets wat gepresenteerd, onderbouwd en geëtaleerd moet worden? En wanneer zijn we gaan geloven dat we eerst moeten imponeren voordat iemand ons mag leren kennen?
Tinder voelt daarin bijna als een marktplaats van menselijke onzekerheid. Een plek waar mensen in seconden worden beoordeeld, weggeveegd of gekozen.
Misschien doet dat iets met ons. Misschien worden we daardoor allemaal performender. Strategischer. Sneller. Alsof we onszelf voortdurend moeten optimaliseren om nog gezien te worden.
En misschien geldt dat niet alleen voor mannen. Vrouwen doen het waarschijnlijk net zo goed, alleen op een andere manier: filters. Perfecte belichting. Zorgvuldig geselecteerde foto’s. Strategische spontaniteit. Sexy, maar niet té sexy. Interessant, maar niet te ingewikkeld. Bijna iedereen lijkt zichzelf te pitchen.
Maar wat mij vooral raakte, was dat ik onder al dat bewijzen eigenlijk vooral onzekerheid zag. Een diepe behoefte om gezien, gekozen en bevestigd te worden. Maar dan snel. Liefst direct. Zodat ze weer verder konden naar een volgende virtuele bevestiger. Alsof veel mensen niet meer geloven dat hun pure aanwezigheid genoeg is. En misschien is dat wel de echte eenzaamheid van deze tijd.
Niet dat we niemand hebben om tegen te praten, maar dat we vergeten zijn hoe echte connectie eruitziet zonder performance. Zonder filters. Zonder marketing. Zonder onmiddellijk iets te moeten bewijzen.
Want echte verbinding ontstaat helemaal niet wanneer iemand indruk op je probeert te maken, maar juist wanneer iemand niets meer hoeft te bewijzen.
Heb een fantastische zondag!
Liefs,
Ilona
Married at First Sight
Het stille verhaal over liefde die we uit handen geven
Vrijdag, 17 april
Ik kijk af en toe naar het programma Married at First Sight. Misschien ken je het wel. Waar twee mensen elkaar voor het eerst zien op het moment dat ze al gekozen hebben. Niet voor elkaar maar voor het idee van elkaar. Voor de mogelijkheid van liefde. Of misschien… voor de angst om die nooit meer te vinden. En het liet me nadenken over liefde en over zoeken. En over iets wat we steeds vaker lijken te doen: het uitbesteden van de zoektocht naar liefde. Daarom nodig ik je uit voor een gedachte-experiment om stil te staan bij de stille wanhoop die de motor lijkt te zijn achter dit huwelijksexperiment.
De (wan)hoop die zo groot is, dat mensen bereid zijn haar uit handen te geven. Aan experts. Aan algoritmes. Aan een systeem dat belooft te vinden wat jij zelf niet kon vinden. En ergens willen we dat geloven. Waarom? Omdat het alternatief te zwaar voelt.
Maar wat zegt het over ons, dat we het vinden van liefde overdragen aan systemen, aan experts, aan modellen die beloven te weten wat wij zelf niet (meer) lijken te kunnen? Wanneer zijn we het vertrouwen kwijtgeraakt dat wij zelf in staat zijn om iemand te vinden om te voelen, te kiezen, te blijven?
Want wat als liefde geen formule is, maar iets wat ons mens eigen is? Wat als er geen perfecte match bestaat, maar alleen twee mensen die blijven of vertrekken?
En wat gebeurt er met hoop, als zelfs de zoektocht ernaartoe niet meer van ons is?
Er was een tijd waarin het huwelijk geen format was, geen aflevering, geen zorgvuldig gemonteerd verhaal.
Het was een belofte. Geen contract, geen experiment, geen verdienmodel maar een keuze die gewicht had.
In die zoektocht door de jaren heen zijn we iets kwijtgeraakt. Niet de liefde zelf, maar de manier waarop we haar dragen.
Een ja-woord. Niet alleen naar elkaar, maar naar iets groters.
We swipen.
We kiezen.
Of we laten kiezen.
Op platforms als Tinder, waar gezichten en perfect gespierde lichamen in de zonsondergang langs ons glijden
als beloftes van “iets serieus” en “langdurig” zonder gewicht. Gefilterd, gevormd, geoptimaliseerd. Precies wat we zoeken, in een oneindig aanbod.
Alsof liefde een etalage is geworden. En wij… consumenten.
En toch. Toch blijven we kijken. Blijven we hopen.
In de geregisseerde zoektocht naar liefde, via de geoptimaliseerde hoop van Married at First Sight, laten we misschien wel onze meest menselijke kant zien: dat we, ondanks alles, blijven geloven in een goed einde.
Alleen zijn we verdwaald geraakt in een jungle van beelden, verlangens en illusies, waar de roep om verbinding nog klinkt, maar steeds moeilijker te verstaan is.
En ergens, heel zacht, blijft de vraag hangen: waarom geven we iets wat zo van ons is zo gemakkelijk uit handen?
Zoals het oude gezegde zegt: de mens is de wolf voor de medemens.
En misschien is dat vandaag de dag nog steeds actueel, als we zien hoe achteloos de kwetsbaarheid van mensen wordt ingezet: de eenzaamheid, het verlangen, de stille wens om eindelijk gezien te worden.
Het wordt verpakt, verkocht, uitgespeeld onder het mom van wetenschap, van expertise, van “wij weten wat jij nodig hebt”.
Maar wat hier werkelijk gebeurt is subtieler en ongemakkelijker: We leren onszelf te wantrouwen.
Dat ons eigen gevoel onvoldoende is. Dat onze eerdere keuzes bewijs zijn van falen en dat de oplossing buiten ons ligt; in een systeem, in een selectieprocedure, in een algoritme.
Alsof verbinding een kwestie is van optimalisatie. Alsof aantrekkingskracht zich laat berekenen. En misschien nog schrijnender: alsof wij zelf niet langer capabel zijn om te voelen wat klopt.
Wat deze programma’s verkopen is niet alleen hoop. Het is uitgestelde teleurstelling met hoge kijkcijfers.
En wij kijken. Gefascineerd.
Misschien omdat we iets herkennen: De hoop. De honger naar verbinding. Het verlangen dat iemand zegt: dit is jouw persoon.
Misschien is de kern niet dat we niet meer in liefde geloven maar dat we niet meer geloven dat we haar zelf kunnen vinden. En dus geven we haar uit handen: aan beelden, aan beloftes, aan een industrie die precies weet hoe ze verlangen moet voeden zonder het ooit echt te vervullen.
Maar wat als liefde nooit bedoeld was om gevonden te worden door iemand anders maar om herkend te worden
in en door onszelf?
Heb een geweldig weekend!
Liefs,
Ilona
Niet bang voor de pijn
zondag, 1 maart
Er zijn periodes in ons leven waarin we besluiten ons terug te trekken. Niet omdat we zwak zijn. Maar omdat de buitenwereld te luid is geworden voor wat binnenin nog bloedt. Vandaag is Vince jarig. Een dag die bij uitstek gaat over tijd, groei en beweging. Gisteren zei hij iets wat eenvoudig leek, maar dat onverwacht diep landde: dat ik niet bang hoef te zijn voor de pijn. Die gedachte bleef vandaag bij me. Ze bracht me bij beelden van rivieren en zwemmen. Van vuurtorens in de verte. Van pijn die geen vijand blijkt te zijn, maar een onderdeel van het leven zelf.
We keren dan terug naar onze grot. Weg van het publiek. Weg van de toeschouwers van ons leven. In de muffe geur van stilstaande lucht en zelfmedelijden likken we onze wonden. Dat is geen mislukking. Dat is noodzaak.
Zolang we de bodem van onze eigen put niet raken, kunnen we niet omhoog. Niet omdat we niet willen maar omdat zwaartekracht bestaat.
Het proces van afdalen laat zich niet versnellen. Wie halverwege omdraait, blijft zweven tussen angst en hoop. Dus zakken we verder. Tot waar het nog dieper kan. Tot waar het stil wordt. Tot waar er niets meer is om vast te houden.
En dan — wanneer de bodem is bereikt — kan er niet nóg dieper.
Conform de wetten van de natuur begint iets ons langzaam terug te trekken. Niet met geweld. Niet met spektakel.
Maar als een onzichtbare stroom onder het wateroppervlak.
We stijgen door modder van zelfverwijt. Langs oude sirenes die ons ooit van onze koers trokken. Langs de echo’s van stemmen die zeiden dat we tekortschoten. Tot we weer lucht raken.
Boven water blijkt de zon niet verdwenen. Ze was er al die tijd. Alleen wij zaten onder de oppervlakte.
Wanneer onze longen zich weer vullen met frisse lucht ontdekken we iets wonderlijks: onze armen bewegen nog.
We kunnen zwemmen.
En in de verte verschijnt een vuurtoren. Niet als redding. Maar als richting.
Tussen golven en stromingen verzamelen we al ons vertrouwen in onze armen, benen en hoofd. We ademen. We focussen. We krabbelen in de richting van licht.
Wanneer onze voeten uiteindelijk vaste grond raken voelt alles nieuw. Onzeker. Kwetsbaar.
En vaak sluiten we ons dan opnieuw op. In onze toren van ivoor. Niet omdat het fijn is maar omdat het veilig voelt.
Toch breekt er een dag aan waarop zonnestralen door stoffige rolluiken dringen. We openen voorzichtig de gordijnen. En eenmaal gezien kun je het licht niet meer ontzien. Dan wil je naar buiten.
Maar buiten zijn vraagt oefening. Je moet opnieuw leren lopen. Zoals iemand die na jaren immobiliteit zijn benen weer belast. Spieren protesteren. Evenwicht wankelt.
En dan is er dat woord dat moeilijker is dan lopen: vertrouwen.
Ongrijpbaar. Onaantastbaar. Toch noodzakelijk.
Misschien is het niet de pijn waar we bang voor zijn. Maar de verwachting dat pijn ons zal breken.
Toch is pijn geen vijand van het leven. Zoals vreugde dat ook niet is. Ze zijn elkaars bewijs. Hoe zouden we weten dat de zon warm is als we nooit kou hadden gevoeld?
Vandaag nodig ik je uit om niet weg te kijken van je angst voor pijn. Om haar te observeren. Misschien zelfs te onderzoeken. Niet om haar te overwinnen. Maar om te ontdekken dat zij soms niets anders is dan de poortwachter van het leven zelf.
Heb een geweldige week!
Liefs,
Ilona
Mens, wat ben je mooi — onvolmaakt
Ik ben blij dat je er weer bent. zondag, 1 februari
In het kader van ons creatieve project Shine via Vox, een podium voor ongehoorde stemmen neem ik je vandaag mee in een gedachte-experiment over kwetsbaarheid, keuzes en mens-zijn. Er zijn ervaringen die zich niet laten uitleggen aan wie ze nooit heeft gekend. Niet omdat die ander tekortschiet, maar omdat sommige werkelijkheden zich alleen van binnenuit tonen.
Ik wil iets met je delen over kwetsbaarheid. Niet als label, maar als bestaansvorm. Over hoe wij kijken naar mensen die afwijken van wat wij “normaal” noemen en over wat dat woord eigenlijk betekent.
In onze cultuur bestaat nog steeds de neiging om kwetsbaarheid te reduceren tot iets aandoenlijks; iets grappigs; iets belachelijks; iets dat verlicht moet worden met humor, afstand of ironie.
Soms goedbedoeld, vaak gedachteloos.
Onder die blik ligt een ongemakkelijke waarheid verborgen: niemand kiest de omstandigheden waarin hij of zij geboren wordt.
Niet het lichaam. Niet het brein. Niet de gevoeligheden of beperkingen. Niet de ouders, de tijd, de plaats.
We leven alsof “normaal” een norm is waaraan men kan of zelfs moet voldoen. Alsof gezondheid, autonomie en cognitieve vermogens een verdienste zijn in plaats van toeval.
Maar wat als dat niet zo is?
Wat als alles wat wij zijn voortkomt uit een samenloop van gegevenheden en wat wij “kracht” noemen slechts de vorm is waarin die gegevenheden zich hebben mogen ontvouwen?
Vanuit dat perspectief verschuift de vraag.
Dan gaat het niet langer over beter of slechter, hoger of lager, normaal of afwijkend.
Dan gaat het over ervaring.
Over het feit dat sommige levens zich afspelen in het volle licht van maatschappelijke waardering, terwijl andere levens zich bewegen in de periferie.
Niet omdat ze minder menselijk zijn, maar omdat onze blik nog onvoldoende geoefend is om hen werkelijk te zien.
Mensen met een kwetsbaarheid leven vaak aan de randen van onze systemen.
Niet buiten het leven, maar buiten de maatstaven waarmee wij het leven beoordelen.
Ze worden begeleid, beschermd, geprogrammeerd, beziggehouden genoemd maar zelden beschouwd als volwaardige dragers van betekenis.
En toch zijn zij dat.
Evenzeer als ieder ander.
Als we het idee toelaten dat het leven geen wedstrijd is, maar een leerweg, dat bewustzijn groeit door ervaring en niet door prestatie, dan verandert onze verhouding tot kwetsbaarheid fundamenteel.
Dan is kwetsbaarheid geen tekort, maar een vorm.
Geen mislukking, maar een andere route door dezelfde existentiële vragen:
- Wie ben ik?
- Wat betekent het om hier te zijn?
- Hoe verhoud ik me tot anderen, tot grenzen, tot afhankelijkheid?
Vanuit die gedachte wordt “normaal” een lege categorie want niemand heeft zijn startpositie gekozen. Sterker nog: niemand kan claimen dat zijn pad de maat der dingen is.
Wat wij wél kunnen doen is erkennen dat alles wat wij hebben — lichaam, verstand, zelfstandigheid — geen recht is, maar een gave. Tijdelijk. Kwetsbaar. Niet vanzelfsprekend.
En dat besef vraagt geen schuld maar eerbied. Niet de eerbied van verheffing maar die van gelijkwaardigheid.
Misschien is de kernvraag dan niet wie normaal is, maar of wij bereid zijn ons beeld van mens-zijn te verruimen.
Want zolang wij lachen om wat we niet begrijpen of afstand houden tot wat ons ongemakkelijk maakt, ontkennen we niet de ander maar onze eigen beperkte blik.
Kwetsbaarheid vraagt geen spot. Ze vraagt ruimte. En misschien is dát wel de ware maat van beschaving.
Heb een geweldige zondag!
Liefs,
Ilona
De eerste sneeuw en de albatros
Ik heb heerlijk geslapen. zondag, 23 november
Toen ik vanochtend de gordijnen opentrok, lag er een heilige verrassing in de tuin — een geschenk dat alleen de uitverkorenen soms in deze tijd van het jaar mogen meemaken. Een paar zuivere, witte sneeuwvlokken lagen als stille getuigen dat de winter onomkeerbaar onderweg is en dat de kou het dit jaar opnieuw van de zon heeft gewonnen. Na 46 jaar weet ik: de kou, de duisternis en de tot op het bot snijdende wind zijn tijdelijk. Het licht, de warmte en het gezang van vogels komen altijd terug. Het is slechts een kwestie van volhouden.
Toch wil ik je vandaag uitnodigen om te onderzoeken waarom we, terwijl we toch al door de seizoenen heen moeten, niet leren genieten van de schoonheid van de reis. Ook van de koude en donkere stukken. Waarom verlangen we hartstochtelijk naar de zon, om vervolgens zodra de hitte komt weer schuil te zoeken in koele, donkere ruimtes? Hoe snel vergeten we het verlangen dat eraan voorafging.
Na een luie ochtend — warm, veilig en nog samen met mijn zoon — dronk ik vanmiddag koffie met een oude kennis. Hij deed me denken aan de albatros van Baudelaire. En hij liet me nadenken over verantwoordelijkheid — vooral die naar onszelf.
We zijn niet slechts machteloze passagiers in de sneltrein van het leven, reikhalzend kijkend naar wat anderen uit hun ramen zien: mooie huizen, mooie auto’s, een mooier leven.
We mogen uitstappen.
We mogen van voertuig veranderen.
We mogen blijven hangen op een tussenstation als het daar goed voelt.
En we mogen genieten van de reis — zelfs van het heen-en-weer geschud, zelfs van het wachten, zelfs van de vertraging.
Daan — de belichaming van Baudelaires albatros in onze tijd — zit al 43 jaar in die sneltrein.
Grijs, een beetje gebogen van de intergenerationele trauma’s die hij zelf niet ziet maar wel draagt.
Hij kijkt naar buiten met schitterende, eerlijke ogen, starend in het niets, op zoek naar houvast dat hij niet in de wereld maar in zichzelf zou kunnen vinden.
Hij verlangt naar handen die hem uit de modder trekken — modder van zelfverwijt, van hoop die is opgegeven, van dromen die hij ooit had maar niet meer durft aan te raken.
In zijn hart wil hij vliegen: breed, krachtig, vrij — weg uit de pijn, weg uit het verleden. Maar zijn vleugels liggen vastgebonden achter zijn rug.
En zo schuifelt hij, grotesk en tegelijk ontroerend kwetsbaar, van dag naar dag. Hopend — maar niet meer vragend — dat iemand de kettingen ooit voor hem doorknipt.
Maar stel dat ík dat zou doen.
Zou hij dan nog kunnen vliegen?
Zou hij het durven?
Ik vrees dat hij het lot zou delen met de circusolifanten die blijven staan — zelfs wanneer hun touwen allang los zijn — omdat ze geloven dat ontsnappen onmogelijk is. Zelfs als de tent in brand staat.
Dat is de trieste werkelijkheid van de verdrietige erfenis van onze moeders en grootmoeders: trauma dat generaties lang is doorgegeven, alsof het melk was waarmee wij gevoed werden.
En maar weinigen onder ons ervaren de genade om zich ná die lange gevangenschap weer uit te vouwen, de vleugels te spreiden en te vliegen. Ook al wacht onder ons de eindeloze zee eindelijk durven vertrouwen op onze vleugels.
Heb een geweldige zondag!
Liefs,
Ilona
Zwemmen tegen de stroom
Hou je van zwemmen? Ik niet. Vreselijk. dinsdag, 18 november
Ik hou wel van de zon. In de zomer zit ik graag aan zee, starend in de verte, luisterend naar de kalme, adellijke, oerwijze golfjes. Denkend aan hoeveel stille kracht er onder dat vlakke oppervlak schuilgaat.
Ik heb nooit van zwemmen of spelen in het water gehouden. Toch heb ik praktisch mijn hele leven gezwommen. Tegen de stroom in. Vaak met iemands handen op mijn hoofd die me onder water duwden. Tot ongeveer drie jaar geleden — toen ik eindelijk de kust bereikte en mijn voeten weer vaste grond vonden.
Vandaag nodig ik je uit voor een gedachte-experiment over waarom we elkaar zo graag onder water duwen, inhalen, overschreeuwen, uitsluiten — om zelf één meter voorsprong te winnen.
Koude, miezerige novemberochtenden. De oudewijvenzomer is nu echt voorbij. Maar ook deze periode heeft zijn magie. Ik bedoel niet de vroegtijdige kerstsfeer bij de Intratuin — tussen de vissen, konijnenvoer en lichtgevende rendieren — maar de werkelijke, stille betovering van de herfst.
Alles lijkt langzaam te sterven. En als je niet zou weten dat dit cyclisch is, zou je denken: dit is het einde.
De trotse bomen, eerst groen en dan goud, hebben hun kroon verloren. Alleen kale takken blijven over, als armen die nog één laatste straal licht proberen te vangen.
Er is geen weg terug. Dus moeten wij naar binnen keren en het licht daar zoeken.
Vanochtend werd ik vroeg en uitgerust wakker. Alles liep soepel, de dag begon zingend.
Buiten was het grijs, koud, halfdonker — maar mijn binnenlicht verwarmde me.
Het verkeer stond ook in herfststand: druk, kaal, koud en genadeloos.
Dat merkte ik toen mijn rijstrook ophield en ik moest ritsen.
Ik zette keurig op tijd mijn richtingaanwijzer aan. Maar de bestuurster rechts vond dat haar recht op asfalt groter was dan mijn behoefte aan ruimte. Ze liet me niet invoegen. Ik kwam stil te staan.
Zij won. Ik voegde pas in ná haar.
En daar zat ik dan, midden op de weg, me afvragend of ik tegen een windmolen vocht of tegen een reus. Heel even begreep ik Don Quichot diep vanbinnen. En heel even, maar dan echt heel even voelde ik me weer zoals vroeger: vechtend met mijn hoofd onder water. Dit keer niet in menselijke relaties, maar in het verkeer.
Want ik had voorrang.
Ik was beleefd, geduldig, duidelijk.
En toch: opnieuw niet gezien, niet gehoord, niet toegestaan.
Het verschil tussen toen en nu? Ik. De vrouw die ik ben geworden.
De vrouw die jarenlang werd meegesleurd in arena’s die haar niet dienden, die op glimmende vloeren werd gemanipuleerd en gedraaid. Die gewend was aan lauwe rivieren, valse spelregels en onderdrukkende handen.
Maar nu begrijp ik het spel: voor sommige mensen is één meter asfalt het verschil tussen leegte en een uur zelfbevestiging. En ik gun het ze.
Want ik heb mijn kust bereikt. Ondanks de stroming. Er is grond onder mijn voeten. Licht in mijn hart.
En ik ben dankbaar, zó dankbaar - ja, óók voor de stroming, óók voor de handen die me onder water duwden.
Ze hebben me gevormd, verdiept en wakker gemaakt.
Vergeet dus niet — zelfs niet op miezerige dinsdagochtenden in november — dat de duisternis alleen bestaat om de glorie van het licht te kunnen aankondigen.
Heb een geweldige dag.
Liefs,
Ilona
Wachten op Godot
maandag 10 november
Ik rij weleens van Schijndel naar Boxtel. Nee, niet om de dino’s te bezoeken — die heb ik al vaker gezien — maar gewoon om te tanken. Daar is het goedkoper.
Langs de weg zit vaak een oude man op zijn rollator. Altijd op dezelfde plek, rustig starend in de verte. Hij zit daar, en hij wacht. Soms urenlang.
Vandaag zag ik hem weer. Hij deed me denken aan Godot van Beckett, die nooit zal komen, al blijven Vladimir en Estragon hem eindeloos verwachten. En ineens moest ik denken aan mijn moeder, die ook altijd ergens op wachtte. Vandaag nodig ik je uit om samen te onderzoeken: waarom wachten we eigenlijk?
Als ik die bonus krijg, koop ik een nieuwe televisie. Als ik ben afgevallen, koop ik die mooie kokerjurk. Als de kinderen ouder worden, gaan we meer genieten van elkaar. Herken je dat?
Misschien kun je de lijst moeiteloos aanvullen met je eigen zinnen of die van anderen. Maar heb je weleens écht stilgestaan bij de vraag: wanneer is dat eigenlijk, dat ‘als’? Op 15 oktober 2035 om 17.00 uur? Of is het morgen? Of over vijf jaar, precies vandaag? En hoe weet je dat je het dan nog steeds zult willen, dat je dan nog dezelfde verlangens hebt als nu? Dat je even fit, gezond en nieuwsgierig zult zijn, met dezelfde smaak, ideeën, vrienden, woning, auto, geld, gezondheid…? Of dat je er dan zelf nog bent?
En als dat perfecte moment wél komt, hoe zul je weten dat het zover is? Krijg je dan een melding? Een pushbericht? En wat als die dag al voorbij is zonder dat je het merkte? Of pas komt als jij er niet meer bent? Of als er nét één ingrediënt ontbreekt uit de zorgvuldig samengestelde taart van jouw perfectie? Wat dan?
Zijn we dan veroordeeld tot ongeluk en verdriet? Of geloven we diep vanbinnen dat geluk, gezondheid, schoonheid, liefde en overvloed alleen zijn weggelegd voor de uitverkorenen?
Godot kwam nooit.
En ik vrees dat het gezelschap van de oude man tussen Schijndel en Boxtel ook nooit zal komen. Er komt geen ridder op een wit paard, geen redder op een fiets, niemand die ons uit onze eigen wachttijd trekt.
Toch wachten we. Soms een leven lang.
Ik maak niet graag afspraken ver vooruit. Simpelweg omdat ik nu nog niet weet of ik over drie weken en vier dagen om half één ’s middags wel zin zal hebben in die lunch. Hoe zou ik dat kunnen weten? En stel dat ik die afspraak tóch plan verschijn ik er dan omdat ik dat wíl of omdat het in de agenda staat?
En dan dat andere scenario: Je kijkt er echt naar uit, trekt je mooiste kleren aan… En vijftien minuten voor de afspraak komt het bericht: Sorry, ik moet afzeggen, er is iets tussengekomen.” Wat dan? Wat als de mensen, gebeurtenissen of kansen waar we zo lang op wachten gewoon nooit komen? Wie geeft ons die tijd terug?
De waarheid is eenvoudig en onverbiddelijk: Er is één ding in het leven dat niet te koop is, niet te winnen, en niet te compenseren: Tijd.
Ze tikt ook als je stilzit. Ook als je wacht op Godot.
Jij wacht braaf, terwijl Godot ondertussen ergens bij de schoonheidsspecialiste zit, of met collega’s aan het borrelen is, of levens redt — tussen de lakens van iemand anders...
Als jij altijd degene bent die moet wachten, vraag jezelf dan eens af: ben ik voor die ander net zo belangrijk als hij of zij voor mij? Of ben ik de enige die nog hoopt dat Godot komt?
The trouble is, you think you have time.
Dus: waar besteed jij je tijd aan? En belangrijker nog — waar wacht jij eigenlijk nog op?
Heb een fantastische week!
Liefs,
Ilona
Herfst
zondag 9 november
Toen ik vanochtend de gordijnen van mijn zoontje opendeed, zag ik dat de grote, oude bomen voor ons raam alweer bijna kaal waren. Ze staan daar al decennia, stevig en stil — in wind en zon, in regen en sneeuw.
De herfst heeft iets mystieks, iets geheims.
Over vier dagen is het dertien jaar geleden dat mijn vader naar de overkant vertrok. Precies toen mijn zoontje drie maanden oud was. Deze dagen voel ik me vaak wat sentimenteel, naar binnen gekeerd. Alsof ik in mijn eigen, veilige binnenwereld op zoek ben naar antwoorden op die grote vragen die we allemaal weleens hebben: over het begin, het einde — en alles daartussen.
Dertien jaar geleden kon ik geen afscheid nemen.
Ik was er wel. In het ziekenhuis, op de gang. Met een pot kippensoep (zijn lievelingseten) waarvan ik dacht dat die hem zou helpen, en met mijn baby van drie maanden in de Bugaboo.
Zijn bed was net verschoond, de lakens strak gestreken. Ik keek met onbegrip naar de verpleegkundige die dienst had.
“Waar is papa?”
“Hij is overgebracht naar de dialyse. U kunt even op de gang wachten.”
Dat deed ik. Urenlang. Tot het namiddag werd en de verpleegkundige zei dat ik beter naar huis kon gaan met “dat kleintje”. Ze zouden bellen zodra hij terug was.
Ze hebben nooit gebeld.
Om tien uur ’s avonds belde mijn zus: “Papa is dood.”
Die woorden hoor ik nog steeds in de dagen dat de wind door de gaten van mijn ziel waait, waar geen enkel iets meer in past. Alsof het gisteren was, niet dertien jaar geleden. Hij was in coma geraakt tijdens de dialyse en nooit meer wakker geworden.
Sinds die tijd denk ik vaak dat geboorte niet het begin is, en dood niet het einde. Misschien slechts het einde van dit hoofdstuk.
Er valt hier zoveel te leren, dat één leven nooit genoeg is. Toch zijn we er niet zuinig op. We verspillen onze tijd aan wat er niet toe doet: wat anderen van ons vinden, of ze ons aardig vinden, of we wel goed genoeg zijn. We dragen maskers om onze pijn te verbergen en raken onszelf daarin kwijt.
Waarom? Wat maakt het uit? We kwamen naakt, en we gaan naakt.
Als we in november de moed hebben om naar binnen te keren in plaats van de gaten in onze ziel tijdelijk te vullen met glanzende kortingen van Black Friday of het strooigoed van de goedheiligman, dan zouden we misschien de genade ervaren om te zien wat er écht toe doet. Want als je een gat in de muur dichtstopt met een trui of kruidnoten, blijft het gat bestaan en de wind blijft waaien.
Ik nodig je uit om deze dagen je hoofd even uit de honingpot van verleidingen te halen en te luisteren naar de stille wijsheid van de natuur:
De bomen leren ons dat groei geduld vraagt.
De wind dat we van richting mogen veranderen.
De bloemen dat schoonheid niet eeuwig hoeft te duren.
De oceaan dat we zowel kalm als krachtig mogen zijn.
De sterren dat duisternis nodig is om het licht te kunnen zien.
En de zon - dat hoe lang je ook in de schaduw hebt geleefd, je altijd weer zult opstaan.
Heb een prachtige zondag.
Liefs,
Ilona
Familie Issues
zaterdag 8 november
Ik heb een relatief kleine familie. Je zou kunnen denken: klein is fijn, gezellig, overzichtelijk. Maar soms voelt het meer als The Hive uit Resident Evil: een systeem waar iedereen op elkaar reageert, prikkelt, aanvalt of vlucht. En op andere dagen voel ik me de laatste overlevende mens op aarde, schuilend voor de ontsnapte bewoners van die Hive.
Een recente gebeurtenis liet me nadenken over familie-issues. Wat zijn we elkaar eigenlijk verplicht? Wat vinden we écht leuk? En wat doen we enkel omdat het zo hoort? Ik wil je hier niet oproepen om in opstand te komen tegen de bestaande orde. Ik nodig je alleen uit om even mee te denken.
Zaterdagochtend, tijdens mijn meditatie werd ik plots uit mijn rust gehaald door de piep van mijn telefoon. Bericht na bericht na bericht. Hoe kon ik vergeten het geluid uit te zetten?
Later las ik de tsunami aan appjes: mijn nichtje in lichte paniek, haar kind weer in verzet, zijzelf machteloos. Zielig voor allebei.
Huisje, boompje, beestje. Alles netjes op orde, zoals het in het Grote Boek van het Leven lijkt te staan.
Ik bleef even stilstaan bij de schrijver van dat Grote Boek. Wat was zijn drijfveer geweest? Motiveren? Inspireren? Of toch vooral het in stand houden van een maatschappelijke orde gebouwd op hiërarchie, rolmodellen en gehoorzaamheid? Een wereld waarin iedereen zijn plaats kent.
Met reclames die ons leren wat “gezelligheid” betekent: dure pampers, perfecte gezinnen aan glanzende dinertafels, strak gestreken pyjama’s, katten en honden onder een boom vol lichtjes en een glimlach die tot de sterren reikt. En vooral: de suggestie dat, als jij niet in dit, oude koekvormpje past — ook al moet je jezelf daarvoor verloochenen — je veroordeeld bent tot eenzaamheid en mislukking.
Dat is niet waar.
Jarenlang probeerde ik mezelf in die roestige koekvorm te persen. Netjes de aanwijzingen volgend van familie en vrienden met vergelijkbare vormen — alsof er tenminste een sachertaart uit moest komen. Maar wat ik kreeg waren ellendige, droge of juist kleverige degen waar geen hond aan wilde likken.
Telkens keek een vreemde vrouw me aan in de spiegel. Ik vroeg haar soms wie ze was. Ik niet, in elk geval.
Nu weet ik de weg.
Ik weet wat ik draag, hoe ik mijn haar wil, wanneer ik rust nodig heb en wanneer ik wil bruisen. Ik weet het verschil tussen dag en nacht, weekenden en doordeweekse dagen. Als ik advies wil, vraag ik erom.
Mijn leven is het resultaat van mijn keuzes.
Dat was niet altijd zo.
Lang geloofde ik dat anderen het beter wisten. Ik dimde mijn licht om anderen niet te verblinden, verzachtte mijn stem zodat die van hen luider kon klinken. Maar dat ideale koekje op de familietafel — dat lukte me niet.
Tot ik besefte: ik hoef geen koekje te bakken en ik hóór niet in een vorm.
Ik bén geen deeg.
Als je een vis vraagt om een boom te beklimmen, zal hij zijn hele leven denken dat hij dom is.
We zijn niet hetzelfde.
We hebben geen standaardrollen of vaste verplichtingen. We creëren onze eigen betekenis. We mogen doen wat goed voelt — binnen of buiten de vorm. We mogen het zelf weten.
En als we ooit zin hebben in een koekje, dan halen we het gewoon bij de bakker.
Ik ben het levende bewijs: zonder overdrijven leef ik nu mijn mooiste leven.
Mijn nichtje zit nog in die ideale koekvorm, op de sneltrein van het leven.
Maar ze merkt langzaam dat ze er niet in past. Ik hoop dat ze het snel beseft, want hoe langer je in de verkeerde trein zit, hoe duurder het wordt om naar huis te komen.
Heb een geweldig weekend.
Liefs,
Ilona
Wanneer de keizer[1] echt naakt is
zaterdag 6 september
Soms ontmoet je mensen die je onbedoeld een spiegel voorhouden. Niet omdat ze zo wijs zijn, maar omdat hun gedrag je dwingt te kijken naar wat je allang wist. In dit gedachte-experiment neem ik je mee naar een zomeravond op een terras, waar de keizer zijn kleren vergat… en ik leerde dat grenzen soms de mooiste outfit zijn die je kunt dragen.
Ik ben niet aan het daten. Totaal niet. Sterker nog: ik bevind me in een staat die het midden houdt tussen Walhalla en het Elysium. Met mezelf. Ik hoef niemand die mij aanvult en ik wil ook niemand aanvullen.
Laatst dook er ineens een zekere Tim op; een oude kennis van ons wandelpad uit het verleden.
Nee, geen Power Star hoor, maar op het eerste gezicht keurig en verzorgd. Toen ik mijn bril beter poetste, zag ik echter dat hij vrij geamortiseerd in het leven stond: een soort liefdeskind van Chewbacca en Peter Pan’s Elliott. Maar goed, we gaan voor het innerlijke, dacht ik. En na zes, zeven jaar was ik ook wel benieuwd.
Hij was direct geïnteresseerd in ons leven, hoe het nu gaat, wat we doen. “Zullen we eens wat gaan drinken en bijpraten?” vroeg hij. Dat leek me wel gezellig, een zomermiddag of -avond op een terras. Tim stelde voor om bij ons thuis langs te komen; met een fles wijn uit verre landen. Maar omdat ik inmiddels genoeg ervaring heb met verre landen (lees daar gerust mijn boek ooit over) en met ongewenst bezoek, bewaak ik mijn huis als Alcatraz in de jaren ’90 was bewaakt.
Het werd dus een terrasje in de buurt. Het was zaterdagavond, rond achten. Omdat ik het niet erg vond iets later te komen, appte ik dat ik onderweg was. Toen ik 2 over acht aankwam reageerde hij luchtig: “Oh, ik heb al vaker op vrouwen gewacht.”
Hier geef ik je even een paar seconden om dit te laten landen…..
Blijkbaar mocht ik dus dankbaar zijn dat Zijne Majesteit niet vertrokken was en ik één van de uitverkorenen was op wie hij al zó vaak had gewacht – en die, door deze genade, toegang kreeg tot Nooitgedachtland van Peter (Pan).
Deze intro beviel me niet. Maar goed, ik was er al, het terras zat vol en sociaal gezien was het makkelijker om gewoon te gaan zitten.
Peter — pardon, Tim — vertelde over zijn burn-out, zijn breuk, zijn leven tussen verre landen en Nederland en zijn baan als leerkracht.
Ik luisterde oprecht geïnteresseerd. En hij was dat ook in mij. Hij stelde scherpe vragen als:
“Hoe kwam je eigenlijk aan die baan op de universiteit?”
“Hoe zie je jouw toekomst als alleenstaande moeder?”
“Waar denk je dat je kind later zal wonen?”
“Ga je je tweede huis verhuren?”
Als je nu even tijd nodig hebt om dat te laten bezinken, begrijp ik dat. Pak gerust een kop koffie (of een wijntje) — ik wacht wel even…...
Wat begon als een gezellig terrasje, veranderde langzaam in een sollicitatiegesprek bij De Brauw Blackstone Westbroek.
Ik heb destijds drie rondes gehad voor mijn universitaire baan en toen was ik aangenomen, maar dit gesprek leek meer op een psychologisch assessment. Maar even ter informatie en geruststelling voor datgene die het nog wil weten: in mijn toekomst als alleenstaande moeder zie ik kleuren, hoor ik melodieën en ruik ik de geuren van vrede, rust en liefde. Over de toekomst van mijn kind en mijn financiën beslissen wij zelf — dat begrijp je. Hij zal er wel komen. Zonder twijfel.
Mijn drankje was op en dat was een teken: tijd om te vertrekken.
Tim liep mee, waarschijnlijk om te controleren of mijn auto voldeed aan de voorwaarden voor grenscontrole bij Nooitgedachtland.
Later in de week bleek dat de scan groen licht had gegeven: mijn toegang tot het beloofde land was verleend. Maar ik ging daar niet op in. Wat ik wél meenam, was dit:
- Alles wat mensen van ons vinden, komt voort uit hun verwachtingen, meningen en oordelen — hun perspectief. We zijn er zo goed in: oordelen, weten wat goed is voor de ander, maar zelden vanuit écht begrip of interesse. We kijken door onze eigen lenzen van ervaring en onzekerheid.
- Het is ook makkelijk om jaloers te zijn op wat een ander heeft bereikt of bezit. Maar de weg ernaartoe, de worstelingen onderweg vinden we vaak te zwaar, te ongemakkelijk, te vies.
Waarom? Omdat dat de moeilijkere weg is. - En een extra tip: geef je mening alleen als erom gevraagd wordt. Stel persoonlijke vragen alleen aan mensen die echt tot je inner circle behoren. En vooral: cultiveer zelfreflectie.
Want als jij de keizer bent zonder kleren en je jaloers bent op het kind dat dat durft te benoemen vergeet dan niet eerst de balk uit je eigen oog te halen voordat je zoekt naar de splinter in die van de ander. En een volledig gebit helpt hier ook bij ;)
Heb een geweldige week.
Liefs,
Ilona
[1] De keizer, de kleren alle deelnemers van dit verhaal zijn volledig fictief en alle overeenkomsten met de werkelijkheid zijn puur toeval en mochten geen rechten aan geleend worden.
Vechten in Narnia
woensdag 5 november
Soms lijkt de werkelijkheid meer op een sprookje dan we willen toegeven. Niet omdat er magie is, maar omdat macht zich vaak vermomt als goedheid en waarheid fluistert vanuit de schaduw van wat we willen geloven. In Narnia ontdekken we geen fantasiewereld, maar een spiegel voor moed, verwarring en de stille keuze om het juiste te doen, ook wanneer niemand het ziet.
Vanochtend werd ik geconfronteerd met een situatie waarin ik me, als toeschouwer aan de zijlijn van de ring van Narnia[1], bevond. Een moment dat me deed nadenken over het land van je dromen, dat zich achter de deuren van de kast bevindt.
Een wereld die een echo lijkt van Utopia[2] van Thomas More, tot je eenmaal binnen bent en beseft dat je het bord van Dante [3] boven de ingang hebt gemist.
Ik heb het nu over het speciaal onderwijs.
Ik zal nu niet ingaan op het bestaansrecht daarvan; ik wil je alleen uitnodigen om even mee te gaan in dit gedachte-experiment: Wat als je in Narnia wordt gepest door Aslan? De ware koning. De schepper. De almachtige.
En wat als jij Peter, Susan, Edmund of Lucy bent? Dat verwacht je niet, toch?
Sterker nog, niemand zou je geloven als je het vertelde.
Maar jij, Peter, Susan, Edmund of Lucy, weet het wel!
Het kan zijn dat anderen — in én buiten Narnia — je niet geloven, maar laten we hen even buiten beschouwing. Zij zijn slechts de honden die blaffen terwijl de karavaan verder trekt.
Wat kun je doen als jij — zoals ik vanochtend — van de zijlijn toekijkt hoe Aslan Peter kleineert, vernedert en vervolgens, met grote Bambi-ogen, de hele situatie ontkent?
Er was geen ring, geen Peter, geen Aslan. Het bestond alleen in mijn gedachten, toch?
Nee. Het bestond echt.
Hoe kun je winnen van iemand die niet bestaat? Niet.
Want volgens mij heb je drie mogelijkheden.
De eerste:
Je gelooft wat Aslan en de omstanders beweren: alles wat je zag was slechts een verzinsel van je verbeelding.
Je biedt je excuses aan, waarmee je Aslan nog meer macht geeft om haar troon te versterken en nóg meer Peters en Susans in haar onzichtbare ring te trekken.
De tweede:
Je gelooft jezelf: wat je zag, was echt — ook als niemand het gelooft. Je vraagt Aslan om uitleg.
Maar let op! Spreek nooit af in háár ring. Want hoewel Aslan koning is in Narnia, is ze eigenlijk een vies varken.
En iedereen weet: wie met een varken vecht, wordt vies. Maar het varken geniet ervan.
De derde — en wat ik je aanraad:
Als Aslan niet bereid is om eerlijk en constructief samen te werken en Peter, Susan, Edmund of Lucy niet oprecht begeleid worden, houd dan hun hand vast, draai je om, sluit die verdomde kastdeur en zoek een omgeving waar rechtvaardigheid wél bestaat!
Want JIJ bent verantwoordelijk voor jouw kind!
Heb een prachtiche week!
Liefs,
Ilona
[1] Narnia verwijst naar de fictieve wereld uit The Chronicles of Narnia van C.S. Lewis (1950–1956), waarin morele thema’s en symboliek van goed en kwaad centraal staan. In deze context fungeert Narnia als metafoor voor systemen waarin macht en morele verantwoordelijkheid met elkaar verweven raken.
[2] Utopia verwijst naar het werk van de Engelse filosoof Thomas More (1516), waarin hij een denkbeeldige, volmaakte samenleving beschrijft. In deze context symboliseert het de droom van een rechtvaardige wereld — een ideaal dat, eenmaal betreden, vaak minder zuiver blijkt dan gehoopt.
[3] “Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate.” Vertaling: Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt van Dante Alighieri, Inferno (Divina Commedia).

Wat is normaal?
Speciaal. Uniek. Bijzonder. Anders.
Wil je even met me meegaan in een gedachte-experiment over de betekenis van normaal?
Volgens de sociologie – ik meen dat het in de literatuur van Erving Goffman of Michel Foucault stond – is “normaal” niets anders dan wat wij op een bepaald moment als normaal ervaren. Alles wat daarvan afwijkt, noemen we “anders”.
Maar heb je ooit stilgestaan bij wat voor jóu normaal is?
En misschien nog belangrijker: wie bepaalt eigenlijk wat normaal betekent?
De maatschappij heeft ooit een vorm getekend van wat “normaal” zou moeten zijn, en we zijn die vorm met z’n allen gaan bewaken. Alles wat er niet in past, noemen we: speciaal, uniek, bijzonder, anders…
Maar wat als ik je vertel dat normaal helemaal niet bestaat?
Dat “normaal” vooral betekent: zoals we horen te zijn.
We proberen allemaal te passen in een veel te oude koekvorm – een die aan alle kanten kraakt.
En zelfs als er nog ergens een oven te vinden is: wie wil er eigenlijk nog dat koekje zijn?
Hoeveel “normale” koekjes zijn je door de jaren heen al door de keel geduwd – omdat het moest, omdat het zo hoort, omdat het de normaalste gang van zaken zou zijn?
Huisje, boompje, beestje. Niet zeuren maar poetsen.
Vandaag nodig ik je uit om niet te denken over wie je bent, maar om stil te staan bij wat voor jóu normaal betekent.
En waarom?
Liefs,
Ilona




