Niet bang voor de pijn

                                                                                                                                                                                                 zondag, 1 maart
Er zijn periodes in ons leven waarin we besluiten ons terug te trekken. Niet omdat we zwak zijn. Maar omdat de buitenwereld te luid is geworden voor wat binnenin nog bloedt. Vandaag is Vince jarig. Een dag die bij uitstek gaat over tijd, groei en beweging. Gisteren zei hij iets wat eenvoudig leek, maar dat onverwacht diep landde: dat ik niet bang hoef te zijn voor de pijn. Die gedachte bleef vandaag bij me. Ze bracht me bij beelden van rivieren en zwemmen. Van vuurtorens in de verte. Van pijn die geen vijand blijkt te zijn, maar een onderdeel van het leven zelf.

We keren dan terug naar onze grot. Weg van het publiek. Weg van de toeschouwers van ons leven. In de muffe geur van stilstaande lucht en zelfmedelijden likken we onze wonden. Dat is geen mislukking. Dat is noodzaak.

Zolang we de bodem van onze eigen put niet raken, kunnen we niet omhoog. Niet omdat we niet willen maar omdat zwaartekracht bestaat.

Het proces van afdalen laat zich niet versnellen. Wie halverwege omdraait, blijft zweven tussen angst en hoop. Dus zakken we verder. Tot waar het nog dieper kan. Tot waar het stil wordt. Tot waar er niets meer is om vast te houden.

En dan — wanneer de bodem is bereikt — kan er niet nóg dieper.

Conform de wetten van de natuur begint iets ons langzaam terug te trekken. Niet met geweld. Niet met spektakel.
Maar als een onzichtbare stroom onder het wateroppervlak.

We stijgen door modder van zelfverwijt. Langs oude sirenes die ons ooit van onze koers trokken. Langs de echo’s van stemmen die zeiden dat we tekortschoten. Tot we weer lucht raken.

Boven water blijkt de zon niet verdwenen. Ze was er al die tijd. Alleen wij zaten onder de oppervlakte.

Wanneer onze longen zich weer vullen met frisse lucht ontdekken we iets wonderlijks: onze armen bewegen nog.
We kunnen zwemmen. 

En in de verte verschijnt een vuurtoren. Niet als redding. Maar als richting.

Tussen golven en stromingen verzamelen we al ons vertrouwen in onze armen, benen en hoofd. We ademen. We focussen. We krabbelen in de richting van licht.

Wanneer onze voeten uiteindelijk vaste grond raken voelt alles nieuw. Onzeker. Kwetsbaar.

En vaak sluiten we ons dan opnieuw op. In onze toren van ivoor. Niet omdat het fijn is maar omdat het veilig voelt.

Toch breekt er een dag aan waarop zonnestralen door stoffige rolluiken dringen. We openen voorzichtig de gordijnen. En eenmaal gezien kun je het licht niet meer ontzien. Dan wil je naar buiten.

Maar buiten zijn vraagt oefening. Je moet opnieuw leren lopen. Zoals iemand die na jaren immobiliteit zijn benen weer belast. Spieren protesteren. Evenwicht wankelt. 

En dan is er dat woord dat moeilijker is dan lopen: vertrouwen. 
Ongrijpbaar. Onaantastbaar. Toch noodzakelijk.

Misschien is het niet de pijn waar we bang voor zijn. Maar de verwachting dat pijn ons zal breken. 

Toch is pijn geen vijand van het leven. Zoals vreugde dat ook niet is. Ze zijn elkaars bewijs. Hoe zouden we weten dat de zon warm is als we nooit kou hadden gevoeld?

Vandaag nodig ik je uit om niet weg te kijken van je angst voor pijn. Om haar te observeren. Misschien zelfs te onderzoeken. Niet om haar te overwinnen. Maar om te ontdekken dat zij soms niets anders is dan de poortwachter van het leven zelf.

Heb een geweldige week!

Liefs,

                Ilona

 

Mens, wat ben je mooi — onvolmaakt

Ik ben blij dat je er weer bent.                                                                                                                                                                     zondag, 1 februari
In het kader van ons creatieve project Shine via Vox, een podium voor ongehoorde stemmen neem ik je vandaag mee in een gedachte-experiment over kwetsbaarheid, keuzes en mens-zijn. Er zijn ervaringen die zich niet laten uitleggen aan wie ze nooit heeft gekend. Niet omdat die ander tekortschiet, maar omdat sommige werkelijkheden zich alleen van binnenuit tonen

Ik wil iets met je delen over kwetsbaarheid. Niet als label, maar als bestaansvorm. Over hoe wij kijken naar mensen die afwijken van wat wij “normaal” noemen en over wat dat woord eigenlijk betekent.

In onze cultuur bestaat nog steeds de neiging om kwetsbaarheid te reduceren tot iets aandoenlijks; iets grappigs; iets belachelijks; iets dat verlicht moet worden met humor, afstand of ironie.
Soms goedbedoeld, vaak gedachteloos.

Onder die blik ligt een ongemakkelijke waarheid verborgen: niemand kiest de omstandigheden waarin hij of zij geboren wordt.

Niet het lichaam. Niet het brein. Niet de gevoeligheden of beperkingen. Niet de ouders, de tijd, de plaats.

We leven alsof “normaal” een norm is waaraan men kan of zelfs moet voldoen. Alsof gezondheid, autonomie en cognitieve vermogens een verdienste zijn in plaats van toeval.

Maar wat als dat niet zo is?

Wat als alles wat wij zijn voortkomt uit een samenloop van gegevenheden en wat wij “kracht” noemen slechts de vorm is waarin die gegevenheden zich hebben mogen ontvouwen?

Vanuit dat perspectief verschuift de vraag.
Dan gaat het niet langer over beter of slechter, hoger of lager, normaal of afwijkend. 
Dan gaat het over ervaring.

Over het feit dat sommige levens zich afspelen in het volle licht van maatschappelijke waardering, terwijl andere levens zich bewegen in de periferie. 
Niet omdat ze minder menselijk zijn, maar omdat onze blik nog onvoldoende geoefend is om hen werkelijk te zien.

Mensen met een kwetsbaarheid leven vaak aan de randen van onze systemen.
Niet buiten het leven, maar buiten de maatstaven waarmee wij het leven beoordelen.
Ze worden begeleid, beschermd, geprogrammeerd, beziggehouden genoemd maar zelden beschouwd als volwaardige dragers van betekenis.

En toch zijn zij dat.
Evenzeer als ieder ander.

Als we het idee toelaten dat het leven geen wedstrijd is, maar een leerweg, dat bewustzijn groeit door ervaring en niet door prestatie, dan verandert onze verhouding tot kwetsbaarheid fundamenteel.

Dan is kwetsbaarheid geen tekort, maar een vorm.
Geen mislukking, maar een andere route door dezelfde existentiële vragen:

  • Wie ben ik?
  • Wat betekent het om hier te zijn?
  • Hoe verhoud ik me tot anderen, tot grenzen, tot afhankelijkheid?

Vanuit die gedachte wordt “normaal” een lege categorie want niemand heeft zijn startpositie gekozen. Sterker nog: niemand kan claimen dat zijn pad de maat der dingen is.

Wat wij wél kunnen doen is erkennen dat alles wat wij hebben — lichaam, verstand, zelfstandigheid — geen recht is, maar een gave. Tijdelijk. Kwetsbaar. Niet vanzelfsprekend. 
En dat besef vraagt geen schuld maar eerbied. Niet de eerbied van verheffing maar die van gelijkwaardigheid.

Misschien is de kernvraag dan niet wie normaal is, maar of wij bereid zijn ons beeld van mens-zijn te verruimen.

Want zolang wij lachen om wat we niet begrijpen of afstand houden tot wat ons ongemakkelijk maakt, ontkennen we niet de ander maar onze eigen beperkte blik.

Kwetsbaarheid vraagt geen spot. Ze vraagt ruimte. En misschien is dát wel de ware maat van beschaving.

Heb een geweldige zondag!

Liefs,
                Ilona

De eerste sneeuw en de albatros

Ik heb heerlijk geslapen.                                                                                                                                                                        zondag, 23 november 
Toen ik vanochtend de gordijnen opentrok, lag er een heilige verrassing in de tuin — een geschenk dat alleen de uitverkorenen soms in deze tijd van het jaar mogen meemaken. Een paar zuivere, witte sneeuwvlokken lagen als stille getuigen dat de winter onomkeerbaar onderweg is en dat de kou het dit jaar opnieuw van de zon heeft gewonnen. Na 46 jaar weet ik: de kou, de duisternis en de tot op het bot snijdende wind zijn tijdelijk. Het licht, de warmte en het gezang van vogels komen altijd terug. Het is slechts een kwestie van volhouden.

Toch wil ik je vandaag uitnodigen om te onderzoeken waarom we, terwijl we toch al door de seizoenen heen moeten, niet leren genieten van de schoonheid van de reis. Ook van de koude en donkere stukken. Waarom verlangen we hartstochtelijk naar de zon, om vervolgens zodra de hitte komt weer schuil te zoeken in koele, donkere ruimtes? Hoe snel vergeten we het verlangen dat eraan voorafging.

Na een luie ochtend — warm, veilig en nog samen met mijn zoon — dronk ik vanmiddag koffie met een oude kennis. Hij deed me denken aan de albatros van Baudelaire. En hij liet me nadenken over verantwoordelijkheid — vooral die naar onszelf.

We zijn niet slechts machteloze passagiers in de sneltrein van het leven, reikhalzend kijkend naar wat anderen uit hun ramen zien: mooie huizen, mooie auto’s, een mooier leven.
We mogen uitstappen.
We mogen van voertuig veranderen.
We mogen blijven hangen op een tussenstation als het daar goed voelt.
En we mogen genieten van de reis — zelfs van het heen-en-weer geschud, zelfs van het wachten, zelfs van de vertraging.

Daan — de belichaming van Baudelaires albatros in onze tijd — zit al 43 jaar in die sneltrein.
Grijs, een beetje gebogen van de intergenerationele trauma’s die hij zelf niet ziet maar wel draagt.
Hij kijkt naar buiten met schitterende, eerlijke ogen, starend in het niets, op zoek naar houvast dat hij niet in de wereld maar in zichzelf zou kunnen vinden.

Hij verlangt naar handen die hem uit de modder trekken — modder van zelfverwijt, van hoop die is opgegeven, van dromen die hij ooit had maar niet meer durft aan te raken.
In zijn hart wil hij vliegen: breed, krachtig, vrij — weg uit de pijn, weg uit het verleden. Maar zijn vleugels liggen vastgebonden achter zijn rug.
En zo schuifelt hij, grotesk en tegelijk ontroerend kwetsbaar, van dag naar dag. Hopend — maar niet meer vragend — dat iemand de kettingen ooit voor hem doorknipt.

Maar stel dat ík dat zou doen.
Zou hij dan nog kunnen vliegen?
Zou hij het durven?

Ik vrees dat hij het lot zou delen met de circusolifanten die blijven staan — zelfs wanneer hun touwen allang los zijn — omdat ze geloven dat ontsnappen onmogelijk is. Zelfs als de tent in brand staat.

Dat is de trieste werkelijkheid van de verdrietige erfenis van onze moeders en grootmoeders: trauma dat generaties lang is doorgegeven, alsof het melk was waarmee wij gevoed werden. 

En maar weinigen onder ons ervaren de genade om zich ná die lange gevangenschap weer uit te vouwen, de vleugels te spreiden en te vliegen. Ook al wacht onder ons de eindeloze zee eindelijk durven vertrouwen op onze vleugels.

Heb een geweldige zondag!

Liefs,

Ilona

 

Zwemmen tegen de stroom

Hou je van zwemmen? Ik niet. Vreselijk.                                                                                                                              dinsdag, 18 november

Ik hou wel van de zon. In de zomer zit ik graag aan zee, starend in de verte, luisterend naar de kalme, adellijke, oerwijze golfjes. Denkend aan hoeveel stille kracht er onder dat vlakke oppervlak schuilgaat. 
Ik heb nooit van zwemmen of spelen in het water gehouden. Toch heb ik praktisch mijn hele leven gezwommen. Tegen de stroom in. Vaak met iemands handen op mijn hoofd die me onder water duwden. Tot ongeveer drie jaar geleden — toen ik eindelijk de kust bereikte en mijn voeten weer vaste grond vonden.

Vandaag nodig ik je uit voor een gedachte-experiment over waarom we elkaar zo graag onder water duwen, inhalen, overschreeuwen, uitsluiten — om zelf één meter voorsprong te winnen.

Koude, miezerige novemberochtenden. De oudewijvenzomer is nu echt voorbij. Maar ook deze periode heeft zijn magie. Ik bedoel niet de vroegtijdige kerstsfeer bij de Intratuin — tussen de vissen, konijnenvoer en lichtgevende rendieren — maar de werkelijke, stille betovering van de herfst.

Alles lijkt langzaam te sterven. En als je niet zou weten dat dit cyclisch is, zou je denken: dit is het einde.

De trotse bomen, eerst groen en dan goud, hebben hun kroon verloren. Alleen kale takken blijven over, als armen die nog één laatste straal licht proberen te vangen. 
Er is geen weg terug. Dus moeten wij naar binnen keren en het licht daar zoeken.

Vanochtend werd ik vroeg en uitgerust wakker. Alles liep soepel, de dag begon zingend.
Buiten was het grijs, koud, halfdonker — maar mijn binnenlicht verwarmde me.

Het verkeer stond ook in herfststand: druk, kaal, koud en genadeloos.
Dat merkte ik toen mijn rijstrook ophield en ik moest ritsen.

Ik zette keurig op tijd mijn richtingaanwijzer aan. Maar de bestuurster rechts vond dat haar recht op asfalt groter was dan mijn behoefte aan ruimte. Ze liet me niet invoegen. Ik kwam stil te staan.

Zij won. Ik voegde pas in ná haar.

En daar zat ik dan, midden op de weg, me afvragend of ik tegen een windmolen vocht of tegen een reus. Heel even begreep ik Don Quichot diep vanbinnen. En heel even, maar dan echt heel even voelde ik me weer zoals vroeger: vechtend met mijn hoofd onder water. Dit keer niet in menselijke relaties, maar in het verkeer.

Want ik had voorrang.
Ik was beleefd, geduldig, duidelijk.
En toch: opnieuw niet gezien, niet gehoord, niet toegestaan.

Het verschil tussen toen en nu? Ik. De vrouw die ik ben geworden.

De vrouw die jarenlang werd meegesleurd in arena’s die haar niet dienden, die op glimmende vloeren werd gemanipuleerd en gedraaid. Die gewend was aan lauwe rivieren, valse spelregels en onderdrukkende handen.

Maar nu begrijp ik het spel: voor sommige mensen is één meter asfalt het verschil tussen leegte en een uur zelfbevestiging. En ik gun het ze.

Want ik heb mijn kust bereikt. Ondanks de stroming. Er is grond onder mijn voeten. Licht in mijn hart.

En ik ben dankbaar, zó dankbaar - ja, óók voor de stroming, óók voor de handen die me onder water duwden.
Ze hebben me gevormd, verdiept en wakker gemaakt.

Vergeet dus niet — zelfs niet op miezerige dinsdagochtenden in november — dat de duisternis alleen bestaat om de glorie van het licht te kunnen aankondigen.

Heb een geweldige dag.

Liefs,
  Ilona

Wachten op Godot

                                                                                                                                                                                        maandag 10 november  
Ik rij weleens van Schijndel naar Boxtel. Nee, niet om de dino’s te bezoeken — die heb ik al vaker gezien — maar gewoon om te tanken. Daar is het goedkoper. 
Langs de weg zit vaak een oude man op zijn rollator. Altijd op dezelfde plek, rustig starend in de verte. Hij zit daar, en hij wacht. Soms urenlang. 
Vandaag zag ik hem weer. Hij deed me denken aan Godot van Beckett, die nooit zal komen, al blijven Vladimir en Estragon hem eindeloos verwachten. En ineens moest ik denken aan mijn moeder, die ook altijd ergens op wachtte. Vandaag nodig ik je uit om samen te onderzoeken: waarom wachten we eigenlijk?

Als ik die bonus krijg, koop ik een nieuwe televisie. Als ik ben afgevallen, koop ik die mooie kokerjurk. Als de kinderen ouder worden, gaan we meer genieten van elkaar. Herken je dat?

Misschien kun je de lijst moeiteloos aanvullen met je eigen zinnen of die van anderen. Maar heb je weleens écht stilgestaan bij de vraag: wanneer is dat eigenlijk, dat ‘als’? Op 15 oktober 2035 om 17.00 uur? Of is het morgen? Of over vijf jaar, precies vandaag? En hoe weet je dat je het dan nog steeds zult willen, dat je dan nog dezelfde verlangens hebt als nu? Dat je even fit, gezond en nieuwsgierig zult zijn, met dezelfde smaak, ideeën, vrienden, woning, auto, geld, gezondheid…? Of dat je er dan zelf nog bent?

En als dat perfecte moment wél komt, hoe zul je weten dat het zover is? Krijg je dan een melding? Een pushbericht? En wat als die dag al voorbij is zonder dat je het merkte? Of pas komt als jij er niet meer bent? Of als er nét één ingrediënt ontbreekt uit de zorgvuldig samengestelde taart van jouw perfectie? Wat dan?

Zijn we dan veroordeeld tot ongeluk en verdriet? Of geloven we diep vanbinnen dat geluk, gezondheid, schoonheid, liefde en overvloed alleen zijn weggelegd voor de uitverkorenen?

Godot kwam nooit. 
En ik vrees dat het gezelschap van de oude man tussen Schijndel en Boxtel ook nooit zal komen. Er komt geen ridder op een wit paard, geen redder op een fiets, niemand die ons uit onze eigen wachttijd trekt. 

Toch wachten we. Soms een leven lang. 

Ik maak niet graag afspraken ver vooruit. Simpelweg omdat ik nu nog niet weet of ik over drie weken en vier dagen om half één ’s middags wel zin zal hebben in die lunch. Hoe zou ik dat kunnen weten? En stel dat ik die afspraak tóch plan verschijn ik er dan omdat ik dat wíl of omdat het in de agenda staat?

En dan dat andere scenario: Je kijkt er echt naar uit, trekt je mooiste kleren aan… En vijftien minuten voor de afspraak komt het bericht: Sorry, ik moet afzeggen, er is iets tussengekomen.” Wat dan? Wat als de mensen, gebeurtenissen of kansen waar we zo lang op wachten gewoon nooit komen? Wie geeft ons die tijd terug?

De waarheid is eenvoudig en onverbiddelijk: Er is één ding in het leven dat niet te koop is, niet te winnen, en niet te compenseren: Tijd. 

Ze tikt ook als je stilzit. Ook als je wacht op Godot. 

Jij wacht braaf, terwijl Godot ondertussen ergens bij de schoonheidsspecialiste zit, of met collega’s aan het borrelen is, of levens redt — tussen de lakens van iemand anders... 

Als jij altijd degene bent die moet wachten, vraag jezelf dan eens af: ben ik voor die ander net zo belangrijk als hij of zij voor mij? Of ben ik de enige die nog hoopt dat Godot komt?

The trouble is, you think you have time.

Dus: waar besteed jij je tijd aan? En belangrijker nog — waar wacht jij eigenlijk nog op?

Heb een fantastische week!

Liefs,

     Ilona
 

Herfst

                                                                                                                                                                                      zondag 9 november
Toen ik vanochtend de gordijnen van mijn zoontje opendeed, zag ik dat de grote, oude bomen voor ons raam alweer bijna kaal waren. Ze staan daar al decennia, stevig en stil — in wind en zon, in regen en sneeuw.
De herfst heeft iets mystieks, iets geheims.

Over vier dagen is het dertien jaar geleden dat mijn vader naar de overkant vertrok. Precies toen mijn zoontje drie maanden oud was. Deze dagen voel ik me vaak wat sentimenteel, naar binnen gekeerd. Alsof ik in mijn eigen, veilige binnenwereld op zoek ben naar antwoorden op die grote vragen die we allemaal weleens hebben: over het begin, het einde — en alles daartussen.

Dertien jaar geleden kon ik geen afscheid nemen.
Ik was er wel. In het ziekenhuis, op de gang. Met een pot kippensoep (zijn lievelingseten) waarvan ik dacht dat die hem zou helpen, en met mijn baby van drie maanden in de Bugaboo. 
Zijn bed was net verschoond, de lakens strak gestreken. Ik keek met onbegrip naar de verpleegkundige die dienst had.
“Waar is papa?”
“Hij is overgebracht naar de dialyse. U kunt even op de gang wachten.”

Dat deed ik. Urenlang. Tot het namiddag werd en de verpleegkundige zei dat ik beter naar huis kon gaan met “dat kleintje”. Ze zouden bellen zodra hij terug was. 

Ze hebben nooit gebeld.
Om tien uur ’s avonds belde mijn zus: “Papa is dood.”

Die woorden hoor ik nog steeds in de dagen dat de wind door de gaten van mijn ziel waait, waar geen enkel iets meer in past. Alsof het gisteren was, niet dertien jaar geleden. Hij was in coma geraakt tijdens de dialyse en nooit meer wakker geworden.

Sinds die tijd denk ik vaak dat geboorte niet het begin is, en dood niet het einde. Misschien slechts het einde van dit hoofdstuk.

Er valt hier zoveel te leren, dat één leven nooit genoeg is. Toch zijn we er niet zuinig op. We verspillen onze tijd aan wat er niet toe doet: wat anderen van ons vinden, of ze ons aardig vinden, of we wel goed genoeg zijn. We dragen maskers om onze pijn te verbergen en raken onszelf daarin kwijt.
Waarom? Wat maakt het uit? We kwamen naakt, en we gaan naakt.

Als we in november de moed hebben om naar binnen te keren in plaats van de gaten in onze ziel tijdelijk te vullen met glanzende kortingen van Black Friday of het strooigoed van de goedheiligman, dan zouden we misschien de genade ervaren om te zien wat er écht toe doet. Want als je een gat in de muur dichtstopt met een trui of kruidnoten, blijft het gat bestaan en de wind blijft waaien.

Ik nodig je uit om deze dagen je hoofd even uit de honingpot van verleidingen te halen en te luisteren naar de stille wijsheid van de natuur: 

De bomen leren ons dat groei geduld vraagt.
De wind dat we van richting mogen veranderen.
De bloemen dat schoonheid niet eeuwig hoeft te duren.
De oceaan dat we zowel kalm als krachtig mogen zijn.
De sterren dat duisternis nodig is om het licht te kunnen zien.
En de zon - dat hoe lang je ook in de schaduw hebt geleefd, je altijd weer zult opstaan.

Heb een prachtige zondag. 

Liefs,

    Ilona
 

Familie Issues

                                                                                                                                                                                        zaterdag 8 november
Ik heb een relatief kleine familie. Je zou kunnen denken: klein is fijn, gezellig, overzichtelijk. Maar soms voelt het meer als The Hive uit Resident Evil: een systeem waar iedereen op elkaar reageert, prikkelt, aanvalt of vlucht. En op andere dagen voel ik me de laatste overlevende mens op aarde, schuilend voor de ontsnapte bewoners van die Hive.  
Een recente gebeurtenis liet me nadenken over familie-issues. Wat zijn we elkaar eigenlijk verplicht? Wat vinden we écht leuk? En wat doen we enkel omdat het zo hoort?  Ik wil je hier niet oproepen om in opstand te komen tegen de bestaande orde. Ik nodig je alleen uit om even mee te denken. 

Zaterdagochtend, tijdens mijn meditatie werd ik plots uit mijn rust gehaald door de piep van mijn telefoon. Bericht na bericht na bericht. Hoe kon ik vergeten het geluid uit te zetten? 
Later las ik de tsunami aan appjes: mijn nichtje in lichte paniek, haar kind weer in verzet, zijzelf machteloos. Zielig voor allebei.

Huisje, boompje, beestje. Alles netjes op orde, zoals het in het Grote Boek van het Leven lijkt te staan. 
Ik bleef even stilstaan bij de schrijver van dat Grote Boek. Wat was zijn drijfveer geweest? Motiveren? Inspireren? Of toch vooral het in stand houden van een maatschappelijke orde gebouwd op hiërarchie, rolmodellen en gehoorzaamheid? Een wereld waarin iedereen zijn plaats kent. 

Met reclames die ons leren wat “gezelligheid” betekent: dure pampers, perfecte gezinnen aan glanzende dinertafels, strak gestreken pyjama’s, katten en honden onder een boom vol lichtjes en een glimlach die tot de sterren reikt. En vooral: de suggestie dat, als jij niet in dit, oude koekvormpje past — ook al moet je jezelf daarvoor verloochenen — je veroordeeld bent tot eenzaamheid en mislukking.

Dat is niet waar.
Jarenlang probeerde ik mezelf in die roestige koekvorm te persen. Netjes de aanwijzingen volgend van familie en vrienden met vergelijkbare vormen — alsof er tenminste een sachertaart uit moest komen. Maar wat ik kreeg waren ellendige, droge of juist kleverige degen waar geen hond aan wilde likken.
Telkens keek een vreemde vrouw me aan in de spiegel. Ik vroeg haar soms wie ze was. Ik niet, in elk geval.

Nu weet ik de weg.
Ik weet wat ik draag, hoe ik mijn haar wil, wanneer ik rust nodig heb en wanneer ik wil bruisen. Ik weet het verschil tussen dag en nacht, weekenden en doordeweekse dagen. Als ik advies wil, vraag ik erom.
Mijn leven is het resultaat van mijn keuzes. 

Dat was niet altijd zo.
Lang geloofde ik dat anderen het beter wisten. Ik dimde mijn licht om anderen niet te verblinden, verzachtte mijn stem zodat die van hen luider kon klinken. Maar dat ideale koekje op de familietafel — dat lukte me niet.
Tot ik besefte: ik hoef geen koekje te bakken en ik hóór niet in een vorm.
Ik bén geen deeg.

Als je een vis vraagt om een boom te beklimmen, zal hij zijn hele leven denken dat hij dom is.

We zijn niet hetzelfde. 
We hebben geen standaardrollen of vaste verplichtingen. We creëren onze eigen betekenis. We mogen doen wat goed voelt — binnen of buiten de vorm. We mogen het zelf weten.
En als we ooit zin hebben in een koekje, dan halen we het gewoon bij de bakker.

Ik ben het levende bewijs: zonder overdrijven leef ik nu mijn mooiste leven.

Mijn nichtje zit nog in die ideale koekvorm, op de sneltrein van het leven.
Maar ze merkt langzaam dat ze er niet in past. Ik hoop dat ze het snel beseft, want hoe langer je in de verkeerde trein zit, hoe duurder het wordt om naar huis te komen.

Heb een geweldig weekend.

Liefs,
    Ilona

 

Wanneer de keizer[1] echt naakt is

                                                                                                                                                                                 zaterdag 6 september
Soms ontmoet je mensen die je onbedoeld een spiegel voorhouden. Niet omdat ze zo wijs zijn, maar omdat hun gedrag je dwingt te kijken naar wat je allang wist.  In dit gedachte-experiment neem ik je mee naar een zomeravond op een terras, waar de keizer zijn kleren vergat…  en ik leerde dat grenzen soms de mooiste outfit zijn die je kunt dragen.

Ik ben niet aan het daten. Totaal niet. Sterker nog: ik bevind me in een staat die het midden houdt tussen Walhalla en het Elysium. Met mezelf. Ik hoef niemand die mij aanvult en ik wil ook niemand aanvullen.

Laatst dook er ineens een zekere Tim op; een oude kennis van ons wandelpad uit het verleden. 
Nee, geen Power Star hoor, maar op het eerste gezicht keurig en verzorgd. Toen ik mijn bril beter poetste, zag ik echter dat hij vrij geamortiseerd in het leven stond: een soort liefdeskind van Chewbacca en Peter Pan’s Elliott. Maar goed, we gaan voor het innerlijke, dacht ik. En na zes, zeven jaar was ik ook wel benieuwd. 

Hij was direct geïnteresseerd in ons leven, hoe het nu gaat, wat we doen. “Zullen we eens wat gaan drinken en bijpraten?” vroeg hij. Dat leek me wel gezellig, een zomermiddag of -avond op een terras. Tim stelde voor om bij ons thuis langs te komen; met een fles wijn uit verre landen. Maar omdat ik inmiddels genoeg ervaring heb met verre landen (lees daar gerust mijn boek ooit over) en met ongewenst bezoek, bewaak ik mijn huis als Alcatraz in de jaren ’90 was bewaakt. 

Het werd dus een terrasje in de buurt. Het was zaterdagavond, rond achten. Omdat ik het niet erg vond iets later te komen, appte ik dat ik onderweg was. Toen ik 2 over acht aankwam reageerde hij luchtig: “Oh, ik heb al vaker op vrouwen gewacht.”

Hier geef ik je even een paar seconden om dit te laten landen…..

Blijkbaar mocht ik dus dankbaar zijn dat Zijne Majesteit niet vertrokken was en ik één van de uitverkorenen was op wie hij al zó vaak had gewacht – en die, door deze genade, toegang kreeg tot Nooitgedachtland van Peter (Pan).

Deze intro beviel me niet. Maar goed, ik was er al, het terras zat vol en sociaal gezien was het makkelijker om gewoon te gaan zitten.
Peter — pardon, Tim — vertelde over zijn burn-out, zijn breuk, zijn leven tussen verre landen en Nederland en zijn baan als leerkracht.  
Ik luisterde oprecht geïnteresseerd. En hij was dat ook in mij. Hij stelde scherpe vragen als:
 “Hoe kwam je eigenlijk aan die baan op de universiteit?”
 “Hoe zie je jouw toekomst als alleenstaande moeder?”
 “Waar denk je dat je kind later zal wonen?”
 “Ga je je tweede huis verhuren?”

Als je nu even tijd nodig hebt om dat te laten bezinken, begrijp ik dat. Pak gerust een kop koffie (of een wijntje) — ik wacht wel even…...

Wat begon als een gezellig terrasje, veranderde langzaam in een sollicitatiegesprek bij De Brauw Blackstone Westbroek. 
Ik heb destijds drie rondes gehad voor mijn universitaire baan en toen was ik aangenomen, maar dit gesprek leek meer op een psychologisch assessment. Maar even ter informatie en geruststelling voor datgene die het nog wil weten: in mijn toekomst als alleenstaande moeder zie ik kleuren, hoor ik melodieën en ruik ik de geuren van vrede, rust en liefde. Over de toekomst van mijn kind en mijn financiën beslissen wij zelf — dat begrijp je. Hij zal er wel komen. Zonder twijfel.

Mijn drankje was op en dat was een teken: tijd om te vertrekken.
Tim liep mee, waarschijnlijk om te controleren of mijn auto voldeed aan de voorwaarden voor grenscontrole bij Nooitgedachtland. 
Later in de week bleek dat de scan groen licht had gegeven: mijn toegang tot het beloofde land was verleend. Maar ik ging daar niet op in. Wat ik wél meenam, was dit:

  • Alles wat mensen van ons vinden, komt voort uit hun verwachtingen, meningen en oordelen — hun perspectief. We zijn er zo goed in: oordelen, weten wat goed is voor de ander, maar zelden vanuit écht begrip of interesse. We kijken door onze eigen lenzen van ervaring en onzekerheid.
  • Het is ook makkelijk om jaloers te zijn op wat een ander heeft bereikt of bezit. Maar de weg ernaartoe, de worstelingen onderweg vinden we vaak te zwaar, te ongemakkelijk, te vies.
    Waarom? Omdat dat de moeilijkere weg is.
  • En een extra tip: geef je mening alleen als erom gevraagd wordt. Stel persoonlijke vragen alleen aan mensen die echt tot je inner circle behoren. En vooral: cultiveer zelfreflectie. 
    Want als jij de keizer bent zonder kleren en je jaloers bent op het kind dat dat durft te benoemen vergeet dan niet eerst de balk uit je eigen oog te halen voordat je zoekt naar de splinter in die van de ander. En een volledig gebit helpt hier ook bij ;)

 Heb een geweldige week.

  Liefs,

               Ilona

[1] De keizer, de kleren alle deelnemers van dit verhaal zijn volledig fictief en alle overeenkomsten met de werkelijkheid zijn puur toeval en mochten geen rechten aan geleend worden. 

Vechten in Narnia

                                                                                                                                                                                         woensdag 5 november
Soms lijkt de werkelijkheid meer op een sprookje dan we willen toegeven. Niet omdat er magie is, maar omdat macht zich vaak vermomt als goedheid en waarheid fluistert vanuit de schaduw van wat we willen geloven. In Narnia ontdekken we geen fantasiewereld, maar een spiegel voor moed, verwarring en de stille keuze om het juiste te doen, ook wanneer niemand het ziet.

Vanochtend werd ik geconfronteerd met een situatie waarin ik me, als toeschouwer aan de zijlijn van de ring van Narnia[1], bevond. Een moment dat me deed nadenken over het land van je dromen, dat zich achter de deuren van de kast bevindt. 

Een wereld die een echo lijkt van Utopia[2] van Thomas More, tot je eenmaal binnen bent en beseft dat je het bord van Dante [3] boven de ingang hebt gemist.

Ik heb het nu over het speciaal onderwijs.

Ik zal nu niet ingaan op het bestaansrecht daarvan; ik wil je alleen uitnodigen om even mee te gaan in dit gedachte-experiment: Wat als je in Narnia wordt gepest door Aslan? De ware koning. De schepper. De almachtige.

En wat als jij Peter, Susan, Edmund of Lucy bent? Dat verwacht je niet, toch?
Sterker nog, niemand zou je geloven als je het vertelde. 
Maar jij, Peter, Susan, Edmund of Lucy, weet het wel!

Het kan zijn dat anderen — in én buiten Narnia — je niet geloven, maar laten we hen even buiten beschouwing. Zij zijn slechts de honden die blaffen terwijl de karavaan verder trekt.

Wat kun je doen als jij — zoals ik vanochtend — van de zijlijn toekijkt hoe Aslan Peter kleineert, vernedert en vervolgens, met grote Bambi-ogen, de hele situatie ontkent?

Er was geen ring, geen Peter, geen Aslan. Het bestond alleen in mijn gedachten, toch?

Nee. Het bestond echt.
Hoe kun je winnen van iemand die niet bestaat? Niet.
Want volgens mij heb je drie mogelijkheden.

De eerste:
Je gelooft wat Aslan en de omstanders beweren: alles wat je zag was slechts een verzinsel van je verbeelding. 
Je biedt je excuses aan, waarmee je Aslan nog meer macht geeft om haar troon te versterken en nóg meer Peters en Susans in haar onzichtbare ring te trekken.

De tweede:
Je gelooft jezelf: wat je zag, was echt — ook als niemand het gelooft. Je vraagt Aslan om uitleg.
Maar let op! Spreek nooit af in háár ring. Want hoewel Aslan koning is in Narnia, is ze eigenlijk een vies varken. 
En iedereen weet: wie met een varken vecht, wordt vies. Maar het varken geniet ervan.

De derde — en wat ik je aanraad:
Als Aslan niet bereid is om eerlijk en constructief samen te werken en Peter, Susan, Edmund of Lucy niet oprecht begeleid worden, houd dan hun hand vast, draai je om, sluit die verdomde kastdeur en zoek een omgeving waar rechtvaardigheid wél bestaat!

Want JIJ bent verantwoordelijk voor jouw kind!

Heb een prachtiche week!

Liefs,

       Ilona

 [1] Narnia verwijst naar de fictieve wereld uit The Chronicles of Narnia van C.S. Lewis (1950–1956), waarin morele thema’s en symboliek van goed en kwaad centraal staan.  In deze context fungeert Narnia als metafoor voor systemen waarin macht en morele verantwoordelijkheid met elkaar verweven raken.
[2] Utopia verwijst naar het werk van de Engelse filosoof Thomas More (1516), waarin hij een denkbeeldige, volmaakte samenleving beschrijft. In deze context symboliseert het de droom van een rechtvaardige wereld — een ideaal dat, eenmaal betreden, vaak minder zuiver blijkt dan gehoopt.
[3] “Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate.” Vertaling: Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt van Dante Alighieri, Inferno (Divina Commedia).

Wat is normaal?

Speciaal. Uniek. Bijzonder. Anders.

Wil je even met me meegaan in een gedachte-experiment over de betekenis van normaal?

Volgens de sociologie – ik meen dat het in de literatuur van Erving Goffman of Michel Foucault stond – is “normaal” niets anders dan wat wij op een bepaald moment als normaal ervaren. Alles wat daarvan afwijkt, noemen we “anders”.

Maar heb je ooit stilgestaan bij wat voor jóu normaal is?
En misschien nog belangrijker: wie bepaalt eigenlijk wat normaal betekent?

De maatschappij heeft ooit een vorm getekend van wat “normaal” zou moeten zijn, en we zijn die vorm met z’n allen gaan bewaken. Alles wat er niet in past, noemen we: speciaal, uniek, bijzonder, anders…

Maar wat als ik je vertel dat normaal helemaal niet bestaat?

Dat “normaal” vooral betekent: zoals we horen te zijn.
We proberen allemaal te passen in een veel te oude koekvorm – een die aan alle kanten kraakt.
En zelfs als er nog ergens een oven te vinden is: wie wil er eigenlijk nog dat koekje zijn?

Hoeveel “normale” koekjes zijn je door de jaren heen al door de keel geduwd – omdat het moest, omdat het zo hoort, omdat het de normaalste gang van zaken zou zijn?
Huisje, boompje, beestje. Niet zeuren maar poetsen.

Vandaag nodig ik je uit om niet te denken over wie je bent, maar om stil te staan bij wat voor jóu normaal betekent.
En waarom?

Liefs,

Ilona

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.